Het Franse Instituut

Het Franse Instituut

Behalve voor de intensieve cursus Arabisch die ik volgde aan de universiteit van Damascus, had ik mij ingeschreven voor een cursus Frans aan het Frans Instituut. Het Frans Instituut was een begrip in Damascus; Een instituut dat met hand en tand werd verdedigd door wat er over was van het eens zo grote en oppermachtige imperium van de Franse cultuur. Een laatste uitpost in een reeds lang verloren kolonie. Maar ook een geairco’de vluchtheuvel voor de lokale jeugd en bourgeoisie.

Ik weet nog goed hoe ik binnenkwam voor mijn entree test. Ik was een half uur te laat en terwijl dit de regel is in Damascus, werd bij het Frans Instituut met dezelfde striktheid die de maat nam met de meter sinds Napoleon die had ingevoerd, het tijdsstramien vastgehouden. Als een afvallige werd ik van de ene hoedster van de revolutie naar de andere gestuurd. Allen keken mij dan streng maar moederlijk aan als ze mij een hand over het hard strijkend een aanwijzing of document meegaven voor de volgende post.

Bij de laatste gezaghebbende aangekomen, bleek het nog mogelijk de test te doen. Ik moest wel geruime tijd in de bedompte, kleine en overvolle kamertjes van de kelder van het instituut wachten op mijn beurt die nu naar het einde van de lijst was verschoven. De spanning van een kelder vol Syriërs die zich rustig proberen te houden had al spoedig de ruimte opgevuld. Om de hoek, in een willekeurig Damasceen gebouw zou de ruimte zijn opgevuld door een menigte druk gesticulerende en met papieren zwaaiende mensen. Hier was het de ingehouden spanning der beschaving, de verheffing boven de directe reactie, die het alternatief bood.

Het was moeilijk mij onder te brengen bij een bepaald niveau. Ik sprak een aardig mondje Frans, maar mijn praatjes hingen aaneen van onmogelijke zinsconstructies die mijn lerares op de middelbare school al met menig 1 voor een SO de nek om had proberen te draaien. Het alternatief van de rigoureuze leer der grammatica zoals zij die aanbood had ik echter altijd trots en tegen beter weten in afgestoten. Ook nu kwam dit weer naar boven. Na hoogberaad met de directrice werd ik  voor conversatie bij de grote mensen, en voor de grammatica bij de jeugd ingedeeld.

 

Het instituut was gelegen net buiten de oude stad in een groot pand dat druk bezocht werd door studenten die hier hun huiswerk maakten al dan niet voor hun Franse les. Het was een vluchtheuvel van Franse cultuur die als alternatief voor de alomvattendheid van de Syrische gang van zaken aantrekkingskracht had voor de langzaam uit de gedrochten van mismaakt socialisme en algehele armoede opklimmende bourgeoisie.

De Britten en Amerikanen hadden met hun meer principiële cultuur politiek in tegenstelling tot de Fransen minder voet aan de grond gekregen. Het Britse instituut had meer van een pub en de Amerikanen hadden slechts een ambassade zonder mandaat en met een hoge muur met prikkeldraad. Zelfs een McDonalds was niet aanwezig in Damascus om de Amerikaanse cultuur hoog te houden en de lokale Damasceense jeugd moest het doen met gefrituurde kip uit Kentucky als zij de vrijheid van de Verenigde Staten wilden proeven.

Misschien was het om het feit dat de Franse cultuur vooral een romantische kracht had, die in de echte wereld niet echt meer van belang was, dat dit instituut kon blijven voortbestaan. Misschien was het toch de historische band die nog steeds mee speelde. Feit blijft dat het Franse instituut een instituut was in de stad. Een instituut waar menig vroom gelovige in beschaving zijn heil zocht.

 

Het begon warmer te worden in Damascus en de stad begon te puffen en kreunen onder de lentehitte die langzaam over ging in zomerhitte. Iedere woensdag moest ik nadat ik thuiskwam van mijn lessen Arabisch naar de Franse les. Ik herinner mij de lange tocht nog goed. Ik begon in de oude stad in de Christelijke wijk waar ik woonde. Daar ging ik eerst door het hard van de stad langs de Umayaden moskee, door de horden shi’itische pelgrims in hun zwarte gewaden, hun klaaglijke gezang nog naebbend in hun vermomde strottenhoofden, langs de tweede moskee van de stad en dan langs de stadsmuur door een brede straat waar na het wenen de shi’iten hun toeristische boodschappen deden, alsof er niets te klagen vielen. Dan langs de Botanische tuin of door nog meer kleine straatjes, naar de snelweg die door het hart van de stad trok en langs de oude stadsmuur.

Dit is waar de kleine gele taxi’s van Chinese makelij, de langzaam infiltrerende schoongewassen wagens van de middenklasse en de witte aftandse minibusjes van de rest van de bevolking samenklonterden. Maar ook waar de grote mensenstromen op elkaar inliepen om als vanzelfsprekend vast te lopen en op te gaan in een tred waarbij een ieder langzaam en zwaar, maar toch ook licht opgefokt, zijn weg vond. Het samenklonteren van mensen gebeurde bij  twee verouderde fly-overs waar vermoeide oude vrouwtjes, opgeschoten tieners en gedweeë zakenmensen de vermoeiende klim op en neer de trappen ondernamen, zich hierbij tussen de stalletjes met allerlei zaken gemaakt diep in de Chinese binnenlanden waar het licht niet reikt, doorwringend. Sommigen waaronder ikzelf gaven echter de voorkeur aan het zigzaggen tussen de tien banen, de lege ruimtes van het gemotoriseerd verkeer fluïde opvullend.

Als ik de fly-over gepasseerd was kwam ik langs een gebied waar kantoormeubelen verhandelt werden. Triplex kasten met plasticen handvaten en sleutels, bureaustoelen, tafels en wat al niet meer zij, allemaal eensoortig maar in grote hoeveelheden uit China geïmporteerd. Standaard was ook, net als voor menig nieuwe taxi ,dat het plastic inpakpapier tot in lengte van dagen om de meubelen werd gehouden, alsof het product beschermd moest worden voor kwade invloeden, totdat de maagdelijkheid doorbroken werd en het product ook snel afgedankt.

De weg die ik volgde liep langs de snelweg en diende als aanvoerweg van kleine busjes met meubelwaren alsook voor bussen met de eerder genoemde shi’iten uit Iran. Dan was het nog een hoek om en een rustig slaperig hoekje met een parkeerplaats waar de auto’s standaard driedubbel dik geparkeerd stonden over, voor ik bij de deur van het instituut aan kwam. Bij het openen van de deuren kwam de airco je als een tocht van weldaad tegemoet. Iets dat de laatste klim 3-4 hoog verkoelde, maar ook een lichamelijk contrast veroorzaakte: Juist wanneer het lijf zich dacht te kunnen wentelen in de rustige koelte, moest het nog een hele klim maken.

De lange tocht die aan de laatste trap voorafging voelde alsof ik vol kracht en doorzettingsvermogen mij een weg baande door een nog onbekende stadsjungle, steeds weer anticiperend op nieuwe planten en menssoorten die plotseling op mijn pad kwamen: Wegspringend voor een kruier, mij tussen de zwarte gewaden door persend, hangend achter een auto doorschietend, puffend de 3-4 lange trappen van het instituut opklimmend, om dan in de strenge kamer binnen te komen waar de studenten gedwee wachtten totdat madame professeur binnenkwam.

Het was iedere keer weer een lange vermoeiende tocht naar het Franse instituut en het kwam vaak voor dat ik uitgeput en hevig zwetend binnen kwam. Dit kwam voor mijn gevoel dan niet door de lange gang door de straten en steegjes, langs de huisjes en stalletjes, maar door die laatste 3 steile trappen naar mijn klaslokaal. Alsof ik vanuit de wirwar van steegjes en straatjes het fort der beschaving, hoog op een berg gelegen, bereikte.

 

Mijn gebrekkige grammatica, maar onverschrokken spraakzame natuur hadden ervoor gezorgd dat ik in twee totaal verschillende klassen terecht kwam. Mijn conversatie lessen vonden plaats binnen een volwassen groep waar ik de jongste participant was, en werden gegeven door een leuke vlotte lerares die, net als ik, regelmatig te laat was.

Bij de grammaticalessen was ik juist de oudste student van de groep. Deze klas werd gedoceerd door wat zich kernachtig het best laat duiden als een grande dame van de Franse taal. Met hevig gecoiffeerd en opgespoten haar, deed zij haar opwachting, waarbij zij net niet vroeg of alle studenten konden opstaan in eerbied voor haar gezag, maar er toch standaard wel een rilling van stilte bij haar entree door het klaslokaal ging.

De twee mensen waar ik het meest contact mee had waren Salma en Ahmad. Salma was een overijverige jongedame die vooral door overdadig aanwezig te zijn indruk maakte. Zij was het soort student dat met een goede afkomst en een flinke dosis opportunisme zich stuurs een weg door het Syrische leven baande. Zij trok op mij aan omdat ik een bepaalde status vertegenwoordigde, een die samenhing met mijn relatieve vrijheid en exotisme. Tegelijkertijd stond mijn werkelijke vrijheid op gespannen voet met haar rigide drammerige manier  van doen en ik voelde het soort onbegrip bij haar dat ik voelde voor vele Syrische vrouwen die mij interessant vonden, maar geen idee hadden waarom ik dan interessant was.

Op een avond stonden wij buiten. Aan het klaslokaal zat een dakterras dat een beetje verkoeling bood en de hoognodige plaats voor de Syriër om een sigaret te roken. Als niet-roker, maar wel waardering hebbende voor een beetje frisse lucht na mijn lange tocht door de stad (ik was vroeg deze keer) draalde ik een beetje tussen balkon en klaslokaal. Het begon te schemeren. In de verte luwde de kluwe van magistrale klaagzangen van het Islamitische geloof van de minaretten ons aan.

Salma vertelde mij in gebroken Engels (haar Frans spaarde zij voor in de les)  over een van de essentiële karakter eigenschappen van de Syriër, hier niet  nader te noemen daar ik ze al vergeten was voordat ze zich manifesteerden, toen er een jongeman naar buiten kwam. Zijn naam was Ahmed Darwish en zo introduceerde hij zich ook. Waar Salma mij meteen probeerde in te lijven in haar ‘groepje’, probeerde Ahmad het op een subtielere manier. Hij kwam rustig bij ons staan en toen Salma uitgepraat was stelde hij zich netjes voor en bood zijn hulp aan als ik die nodig had tijdens de les.

Ahmad was een van die mensen die zijn beschaving toont in zijn algemene houding, in zijn manier van staan en lopen, teruggetrokken, maar toch geïnteresseerd. Hij zou je in tegenstelling to Salma niet lastig vallen met allerlei prietpraatjes over Syriërs en wat al des niet meer zij. Uit heel Ahmad’s houding sprak beheersing en een misschien wat overdadige overwegend karakter.

Salma en Ahmed hadden een historie op het instituut. Meteen bij het naar buiten treden begon Salma erover. Zij vertelde mij plagerig, maar zonder de nodige humor en overwicht, hoe zij en Ahmed al vaak bij elkaar in de klas hadden gezeten en hoe zij hem helemaal niet uit kon staan. De manier waarop zij mij dit vertelde had veel van het verhaal van een schoolmeisje dat zegt dat zij een jongen, waar zij heimelijke kalverliefde voor voelt, “echt heel erg haat”. In zijn beheerste natuur wist Ahmed dit diepere niveau echter niet aan te boren. Ahmed zweeg.

 

Als enige niet Syriër had ik een status aparte binnen de klas. Dit zorgde ervoor dat ik, in ieder geval de eerste weken, met een zeldzame autonomie kon voortbestaan binnen de lessen. Mij werden fouten die anderen op een publieke schandepreek kwamen te staan, met een kwinkslag vergeven en met een standje-omdat-het-moet afgedaan. Ik maakte dankbaar gebruik van deze status aparte om te verbloemen dat ik mijn huiswerk niet had gedaan en te compenseren dat ik menig maal te laat was.

Verder waren de lessen Frans voor mij meer sociale wetenschapsstudies dan taallessen. Bij mijn volwassen conversatie lessen kwamen er allerlei onderwerpen aan bod. Ik herinner mij dat onze iets te vlotte lerares zelfs een onderwerp dat aan religie of politiek raakte – opbracht. De hele klas viel in een lippen bijtende stilte. Ik probeerde nog iets diplomatieks te zeggen, maar zelfs daar kwam geen reactie op. Op dat soort momenten verdween het warme karakter van andere lessen diep in de alles opslokkend zwart gekleurd abbys van het publieke leven van Syrië.

Bij het merendeel van de lessen echter  werd er, eens de schroom van ons gebroken Frans overkomen, weggebabbeld over kunst,  fotografie, eten en natuurlijk Frankrijk. In die zin leken deze lessen meer  op het aandoenlijke beeld van een les bij een willekeurig Institute Francaise in de Neerlandse provincie, dan op die van een vooruitgeschoven verloren post van de revolutie:  Er werd dezelfde prietpraat gebezigd, door dezelfde middelbare vrouwen met eenzelfde soort romantische longing voor het schone Frankrijk in het hart van Europa.

 

In de jongerenles grammatica werd er minder gepraat. De antropologische diepgang van de les was er echter niet minder om. De eerste les hield madame Salloum nog een schijn van openheid op om ons zo in de val van participatie te lokken. Uit de hoogte en met geveinsde interesse vroeg zij naar onze levens en hoe wij tot onze roeping tot haar te komen waren gekomen. Zij voegde ons dan hooghartig doch niet per se negatief haar commentaar en wijze raad toe. Vanzelfsprekend geschiedde dit alles in het Frans; Haar hooghartigheid een functie van onze sprakeloosheid.

Na een maand begonnen de tochten door de stad zwaarder te worden. De zomerzon begon het over te nemen van het veelkleurige lentelicht en wat eerder een dynamische smeltkroes van leven was, werd nu tot een wolk stof samen gewaaid. Minder bussen met shi’ieten uit Iran kwamen nu naar de stad en degenen die nog kwamen trokken zich sneller terug in de schaduw van de oude stad.

Met het geblakerde gras verbleekte ook mijn groene enthousiasme over mijn tocht door de stadsjungle langzaamaan. Het tussen meutes doorwurmen verloor langzaam zijn air van ontdekking, het puffen en kreunen langzaam het gevoel van overwinning. De wereld was langzaam ontsloten aan mijn blik en de epische overwinning maakte langzaam plaats voor de alledaagse werkelijkheid, de sleur. Een sleur, zo begon mij langzaam te dagen, die een stuk zwaarder was dan die waaraan ik gewend was geraakt in mijn comfortabele Lage Landje.

Ook in de klas begonnen de eerste momenten van kennismaking en verwondering plaats te maken voor de harde leer van discipline. Madame professeuse wierp haar geveinsde charme af en zo rond de derde les begon het menens te worden. Ikzelf trok mij terug in mijn cocon van exotisme en voyeurisme, slechts nu en dan uitdagend de ogen op mijn vleugels als een vlinder uitslaande.  Madame professeuse werd steeds strenger en steeds onrechtvaardiger.

Er was een oudere dame die nog wat Frans bij wilde spijkeren, de enige volwassene in de grammaticaklas. Zij zat altijd een beetje vooraan in het lokaal, had een hoofddoek om en was verder ook redelijk terug getrokken. Uitdagend maakte onze professeuse, bij een paar jaar haar leeftijdsgenote,  er een punt van haar nu en dan een aantal vragen te stellen. Iedere keer dat de dame opgevoerd werd, sloeg zij dicht en begon te stotteren, waarop de lerares nog eens extra door vroeg, de dame haar tong nog dieper inslikte en madame professeuse streng na een moreel wegwerp gebaar te maken, terug viel op de orde van de dag.

Het werd in de klas steeds belangrijker zo hard mogelijk te roepen om aandacht, alsof we in het middendeel van een marathon aangekomen waren waarbij vooral het stug doorbijten en rigoreus voort blijven hobbelen ons bij de les kon houden. Als je even de tijd nam om uit te puffen en je vinger op stak werd je standaard over geslagen. Wanneer madame professeuse niet meer om je hand heen kon kreeg je een halve kans een half woord Frans uit te spreken. Als je dan niet op volle toeren draaide, werd je afgekapt. Vervolgens werd de beurt dan gegeven aan een meer gehaaide student die er dan een punt van maakte om snel en goed het juiste antwoord te geven, iets dat madame professeuse met waardering beantwoorde.

Salma was zo’n gehaaide studente. Vaak kreeg zij de beurt, waardoor zij zich makkelijk kon differentiëren van de rest door net even op de troepen vooruit te lopen. Salma keek bij de beloning van de lerares triomfantelijk met verhulde trots om haar heen, de rest van de  klas schuw terugloensend. In tegenstelling tot Salma stak Ahmed altijd netjes zijn vinger op. Ook hij had vaak het juiste antwoord, maar zijn beschaafde natuur zat hem keer op keer in de weg. Als hij al de kans kreeg te antwoorden werd hij standaard op de kleinste puntjes door madame professeuse gecorrigeerd. Zijn ogen spraken dan van de stille trots van een matador die beseft dat hij zich moet terug trekken, maar zich nimmer gewonnen geeft.

 

Op een gegeven moment was ik weer eens te laat binnen gekomen. Als altijd probeerde ik mij er met een charmante kwinkslag vanaf te maken. Maar madame professeuse was ditmaal minder te paaien met mijn blauwe ogen. Ze keek mij even streng aan om vervolgens met een dodende blik langs mij heen te kijken. Het komende uur bestond ik niet. Ik kreeg geen beurt en toen ik in de rondgang aan de beurt moest komen, werd er niet op mijn antwoord ingegaan.

Snel na mij in de rondgang  was Ahmed aan de beurt. Zijn antwoord werd koud en bureaucratisch afgevinkt. Langzaamaan begon ik in te voelen wat Ahmed doormaakte. Mijn tijdelijk ontnomen waardigheid deed mij invoelen hoe hij die blijvend ondermijnd werd, zich moest voelen. Vanwege de volkomen willekeurige, of eerder de onwillekeurige onrechtvaardigheid van madame professeuse werd hem de mogelijkheid ontnomen te spreken. Niet alleen dat. Het werd mij ook duidelijk dat hem niet alleen de mogelijkheid te spreken werd ontnomen, maar vooral ook het plezier om dit te doen. Het enige wat over bleef was trots en waardigheid, leeg en verloren.

Salma kreeg als eerste van de nieuwe ronde snel na Ahmed de beurt. Zij antwoordde dit keer met teruggehouden fanaticisme. Niettemin trots en hard gaf zij het juiste antwoord. Madame professeuse bedankte Salma en stelde haar als voorbeeld voor de rest van de klas.

Ik werd langzaam kwaad van binnen. Was het niet duidelijk wat hier gaande was? Ik identificeerde mij met de cinderella in dit verhaal, met Ahmed, die met zijn trots en kalmte beschaving uitstraalde. Ik voelde dat ik mijn rol als bezoekende prins in deze balzaal van de Franse taal moest doen gelden en het onrecht dat hem werd aangedaan moest recht zetten.

In gebroken Frans vermengd met gefrustreerd Engels, nam ik het woord: madame professeuse mocht wel eens wat vaker Ahmed en de andere studenten die netjes hun hand opstaken het woord geven! Twintig wachtende ogen keken schuchter op. Zelfs Salma was stilgevallen.

Madame professeuse ging rechtop zitten en keek mij even hooghartig aan. Ik was klaar voor de strijd, klaar voor haar tegenwoord, klaar voor een verzoening daarna. Maar in plaats van de strijd aan te gaan, ging zij maar half op mijn uitnodiging tot een duel in. Ze deed net alsof ik haar nooit uitgedaagd had en keerde zich van mij af, om vervolgens op het moment dat ook ik mij verwonderd en verslagen afwendde, met een klein mes te steken: “Salma’s Frans was gewoon een stuk beter. Zij deed zo haar best om ook studenten als Ahmed een kans te geven, maar als zij die niet grepen kon zij er ook niets aan doen.”

Ik zat als in mijn stoel genageld en besefte voor het eerst dat er geen plaats was voor rechtvaardigheid in een klaslokaal dat geregeerd wordt door de macht van de verdelende willekeur. Het was niet zozeer de slechte bedoeling van  madame professeuse die mij in mijn stoel nagelde, maar veeleer de bewustwording dat welke bedoeling dan ook verdween in de dynamiek van het klaslokaal.

Aan het eind van de les had ik mij voorgenomen mij terug te trekken. Ik had toch al moeite bij te blijven naast mijn voltijd cursus Arabisch en de volwassen spreekvaardigheids-lessen die ik volgde, dus een excuus had ik.

 

Beteuterd zat ik in de kleine koffiebar van het instituut na de les nog wat na te denken over het onrecht dat mijn klasgenoten werd aangedaan. Dat ik hier gelukkig buiten stond. Maar ook dat juist die rol  als buitenstaander mij machteloos maakte.

Terwijl ik daar zat kwam eerst Salma op mij af. Zij had nog even wat extra lessen opgehaald in de bibliotheek en had mij zien zitten. Ik schuwde haar kwaad en trots, maar zij doorbrak mijn houding met haar licht schellende stem. Zij vroeg mij wat er nou allemaal aan de hand was. Ik vertelde haar dat ik de madame professeuse niet meer dan een madame vond en dat ik het al veel te druk had en had besloten mij uit de cursus terug te trekken om mij te concentreren op mijn andere lessen. Een lichte snik van kwaadheid maakte mij van zich meester. Salma probeerde mij uit te leggen dat madame professeuse het allemaal goed bedoelde. Ik keerde mij van het gesprek af.

Op dat moment kwam Ahmed binnen, langzaam en bedaard. Terwijl Salma nog probeerde wat toe te voegen, legde hij een hand op mijn schouder en vroeg mij of ik niet met hen mee wilde lopen. Salma en hij liepen dezelfde kant op en hij zou mij een andere snellere weg laten zien naar huis.

 

Gedrieën liepen wij de deur uit de stad in. De avond gaf een luwte aan de stad die de heetgebakerdheid van mijn gemoed verlichtte. Zoals soms gebeurd rond juni kwam er nog eenmaal een zachte wind door de straten en met de wind een zacht roze licht dat ons omarmde als een fijn geweven  omslagdoek.

Ik liep iets vooruit als iemand die in gedachten druk bezig is en niet door heeft dat hij steeds zijn voeten met de tred van zijn gedachten gelijk trekt. Achter mij hoorde ik Salma nog eens uitleggen aan Ahmed hoe de grammatica regels dan wel in elkaar staken. Ahmed reageerde geërgerd en onbegrepen, maar ook berustend en kalm. Nu pas vond ik een plagerige kwinkslag in de toon van de woorden Arabisch die Salma sprak. Ze daagde Ahmed uit en toen ik naar hem keek stuurde hij net een volle ware blik naar haar terug. Salma bloosde een waterval woorden.

Plots begreep ik dat de hardheid en gedrevenheid die mij in de klas al die tijd zo aan Salma geërgerd hadden, in wezen een onbeholpen enthousiasme waren, dat alleen zo een uitweg vond. Door de meedogenloosheid van haar antwoorden zag ik nu terugkijkend een trotse strijd om niet toe te geven aan haar beperkingen doorschemeren.

Salma kreeg het schijnsel van een simpel burgermeisje uit een Russische roman over zich. Zulks een schijnsel dat licht bezoedelt door het zweet de harde trekken van haar gelaat deed schijnen. De jukbeenderen de harde contouren van een wereld die niet wil wijken voor de ondermijnende kracht van de alledaagse strijd.

En zo liep ik iets voor Salma en  Ahmed uit in gedachten verzonken over de nieuwgevonden schoonheid van Salma, het meisje dat zo lang het bloed onder de nagels deed weg trekken.

 

We liepen nog iets door en onderweg gaf Ahmed mij hints over waar wij ons bevonden. Zijn route liep over de grote boulevards om de oude stad heen. En inderdaad gaf deze route door haar ruimtelijkheid het gevoel dat hij ook sneller was dan de route die ik altijd nam. Mijn route liet geen ruimte voor overdenking en was een voortdurende opvolging van stappen. Misschien waren de zachte bries en de lichte gloed een gevolg of weerspiegeling van de ruimtelijkheid van de boulevard. Ahmed’s pad gaf vrijheid niet alleen aan mijn tred, maar ook aan de tred van mijn gedachten.

Ahmed en Salma waren nog steeds druk in gesprek in het Arabisch.  Ik draaide mij om  te kijken of zij er nog aan kwamen. Maar als dag en nacht was Salma’s blik verschoten naar beteuterd en bleek. De speels stugge en vaak ook wat botte strijdvaardigheid waar ik mij eerst zo lang aan geërgerd had en die ik net was gaan waarderen, was uit haar gezicht getrokken.  In plaats ervan was nu in haar gezicht in een aantal harde halen de stugge blik van verlorenheid gekerfd.

Ahmed liep langs haar voort, uiterlijk onverschrokken, nog steeds dezelfde trots en berusting in zijn ogen. Maar nu voelde deze blik als verraad. Het kwam mij voor dat Salma op de haar kenmerkend onbeholpen wijze gevraagd had om zijn aandacht. Ahmed had zich terug getrokken in de berustende trots, die mij nu als een ingesleten stugge pose voor kwam.  Hij zei niets en deed net of er niets aan de hand was. In wezen wist hij niet hoe te antwoorden op Salma’s roep om aandacht, al wilde hij dat wel. Toen ik nog eens goed keek zag ik hem diep naar binnen gekeerd denken, verloren zijn.

Ahmed had nog een laatste woord in het Arabisch voor Salma en zei toen beheerst tegen mij: “Salma woont hier om de hoek, ik loop nog een stukje met je door tot de muur van de oude stad.” Salma’s gedachten waren al om de hoek verdwenen en haar blik gaf nog een korte glimlach als goodbye, voordat haar gespannen lichaam ook om de hoek verdween.

 

Toen Salma uit het zicht was liep ik nog wat voor Ahmed voort. Iedere keer als ik om keek, keek hij verloren voor zich uit.

De kinderlijke onbeholpenheid van Salma en Ahmad hadden slechts dat kunnen zijn: een jongen en een meisje die geen uiting weten te geven aan hun gevoelens. Maar hun blikken vermengden zich met de strenge onrechtvaardige blik van madame professeuse. Onrechtvaardig niet vanuit overtuiging of discipline, maar als uiting van de rol die haar ook maar was toebedeeld. Allen kwamen zij mij plots voor als verloren zielen;  Hun charme en schoonheid in trots het hart van hun bestaan. Welk een schoonheid ging er achter hun onbeholpenheid schuil. Schoonheid als voor altijd verloren in het rollenspel waar niemand de poppen bediende, zelfs madame professeuse niet. Ahmed riep mij toe en wees mij de muur van de oude stad, die daar ook maar stond te staan. Daarna  verdween hij spoedig, zijn vluchtige gedachten achterna.

In mijn geestesoog schitterde nog even de rake lijn van de vochtige jukbeen van Salma op, als een muur haar gezicht en leven omvatten. Ik stond daar alleen op de boulevard en keek om hoog naar de zware muur die de stad omgaf. Het rodige licht en de zachte bries waren overgegaan in de schemering van de nacht: Donkerte al om, slechts hier en daar een vlammetje licht van een lantaarn of van achter een eenzaam raam.

Advertisements

One thought on “Het Franse Instituut

  1. Pingback: Het Franse Instituut « rubenelsinga

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s